30-06-10

PSALM 121

De Heer is Uw Bewaarder,

Hij sluimert noch slaapt.. (Psalm 121)

 

Psalm 121 is een bedevaartslied. De psalm werd gezongen toen de Joden voor de grote feesten optrokken naar Jeruzalem.

Het is een loflied. Het bezingt God als de Bewaarder en Beschermer van Zijn kinderen.

Het lied bezingt zowel de gevaren die er op die reis zijn, als ook waarom de reizigers zich tot de Bewaarder richten.

Je leest er dankbaarheid in: Goddank wij mogen zijn kinderen zijn, Goddank Hij zal het ook doen, Goddank Hij bewaart ons.

Goddank dus dat Hij weet heeft van onze genoemde angsten, als ook van onze innerlijke niet genoemde angsten op onze levenreis.

Wat opvalt is dat er dwars door al die zorgen heen er een adres is. Tot Hem kunnen wij ons richten, er wordt ons in die psalm een geleefde zekerheid overgeleverd. De reizigers wisten zich verzekerd van een vangnet, dat hen de uiteindelijke geestelijke rust wilde geven tijdens hun optrekken naar Jeruzalem.

 

Maar ervaren wij reizigers dit ook zo?

Als we diep in ons zelf kijken, dan zien we toch ook de Thomas in onszelf met de hem zo eigen vragen, twijfels en angsten om gezondheid, veiligheid om de goede afloop…

De zekerheid, die bezongen en gezongen wordt in psalm 121, wordt in onszelf en door de wereld waarin wij vandaag de dag leven, meer en meer aangevallen.

De mens is kritisch geworden, de tijdsgeest zit vol twijfels, God wordt verdrongen door gezondheid en verzekeringsstelsel, door de wetenschap. Het vroeger zo vanzelfsprekende geloof staat onder druk. Is alles negatief of mag je het ook als zuiverend zien in het geloofsleven van anno nu? Hoe echt was dat beleefde en geleefde geloofsleven van vroeger?

Hoe echt was dat samen gezongen en niet bevraagde gelovig optrekken?

 

En nu ondanks die vragen klinkt dit lied. Ja, het blijft ons uitdagend bevragen op ons geloofsleven: hoe ervaart U God, houd U nog wel rekening met een God, die Uw Bewaarder wil zijn, houden wij nog wel rekening met een God die noch sluimert noch slaapt?

 

De reizigers die deze psalm zongen, hebben ook hun vragen, twijfels en zorgen gekend en toch zongen ze dit lied elkaar versterkend en bemoedigend toe.

Hoezo? Omdat ze wisten dat God weet heeft van hun en ons onrustig binnenste en ook omdat ze wisten: Wie God bewaard is wel bewaard.  Hij slaapt noch sluimert om ons, wij zijn Zijn kinderen.

 

Over roeping en wat de toekomst brenge moge..en over

Jacqueline van der Waals (1863-1922)

 

Wat de toekomst brengen moge..

Wat de toekomst brenge moge,

mij geleidt des Heren hand;

moedig sla ik dus de ogen

naar het onbekende land,

Leer mij volgen zonder vragen;

Vader, wat Gij doet is goed!

Leer mij slechts het heden dragen

met een rustig kalme moed!

 

Deze strofe vind U in het liedboek der kerken, het is van Jacqueline van der Waals afkomstig. Je mag wel zeggen dat dit wel een van de bekendste liederen is dat de meesten van ons van haar kennen.

Minder bekend is bij U misschien haar korte levensverhaal. Hoe zij worstelde met haar roeping, het dichten en schrijven.

Hier wat biografische info.

 

Haar vader was Johannes Diederick Sr. (1838-1923), hij was de oudste van 10 kinderen. Zijn vader was timmerman.

Hij was gehuwd met Magdalene Smit (1847-1881), zij was de jongste dochter van een Leidse hoedenmaker.

 

Johannes Diederick Sr. studeerde en werkte zich op tot hoogleraar in de natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam. 

Vrij kort na de verhuizing naar Amsterdam ontdekte men bij de moeder van Jacqueline ook wel Lien of Lina genoemd, tuberculose. In december 1881 overleed zij op 34 jarige leeftijd.

De schaduw die over het gezin kwam, de vader die met 4 kinderen achter bleef, uitte zich o.a. door het feit dat van 1881 tot 1902 de gordijnen van de voorkamer dicht bleven.

In 1883 ging Jacqueline studeren en behaalde de akte van hulponderwijzeres. Maar haar interesse ging verder en ze studeerde voor de akte geschiedenis zodat ze in dit vak ook mocht lesgeven.

Ze had een talenaanleg en sprak naast Frans ook Engels, Italiaans, Duits, Noors en Deens.

 

Ze sportte graag. Deed aan tennis, hield van schaatsen, wandelen.

Wanneer ze met dichten begon, weten we niet maar haar eerste bundel verscheen in 1900 het kreeg de titel mee: Verzen. Ze gaf het werkje uit onder het pseudoniem U.E.V. dat betekent 'een uit de stemmen'.

In 1906 verscheen haar min of meer autobiografische roman ' Noortje Velt'. Ze vertaalde boeken uit het Deens.

Ze las veel en verdiepte zich in Kierkegaard, Paulus, Dante, Ibsen, Thomas van a Kempis.

Ze was, zo herinnerde zich iemand haar, een tengere vrouw, een zeer fijne persoonlijkheid en we wisten dat ze dichtte. Maar ik kan me niet herinneren dat ze daar over sprak.

In 1920 kreeg Jacqueline last van haar maag. Binnen het jaar, in de vroege zomer van 1921, bleek het kanker te zijn. Een operatie was niet mogelijk gezien het proces al te ver heen was.

Ze bleef echter dichten ook al ging ze sterk lichamelijk achteruit.

Haar laatste verzen staan bekend als 'de doodsverzen'. Op 29 april 1922 overleed ze.

 

Haar roeping en haar worstelen..

Jacqueline was een zeer gelovig iemand.

Christenen, zo schreef ze ergens, nemen hun toevlucht in moeite, droefheid en ellende tot Christus. God was voor haar Diegene die haar leven richting gaf. Hij gaf haar de taken die Hij voor haar nodig vond.

Schrijven en dichten, zo ervoer zij, was de taak die Hij voor haar had. Ze schreef  'Schrijven moest ik, als ik schreef, gaan, waarheen Uw geest mij dreef'.

Een bekend gedicht dat over het schrijven en hoe God haar gebruikte in dat dichten gaat, is het gedicht dat als titel kreeg ' De Herdersfluit'.

 

De Herdersfluit

Eens ging ik langs het lage riet

dat ruisen kan en anders niet,

toen langs mijn pad een herder kwam

die een van deze halmen nam

en die besnoeide en besneed

en maakte tot zijn dienst gereed.

Door dit gekorven rietje, dat

als dood hij in zijn handen had,

die stemmeloze stengel, zond

hij straks de adem van zijn mond,

en als hij blies zo zong het riet

en als hij zweeg, verstomde 't lied:

de zoete, pas ontwaakte stem

bestond en leefde slechts door hem.

 

Zo gaf ik gaarne wens en wil

in 's Heren hand en hield mij stil.

Zo dan als door een rieten fluit

bij zwijgend eigen stemgeluid

Gods adem door mij henen blies,

hoe grote winst bij klein verlies!

 

Wat was dat kleine verlies?

Het klinkt hier zo makkelijk als ook 'zo gaf ik gaarne wens en wil'?

 

Ze schreef: ze moest wegstrepen de eigen begeerten, de eerzucht, de ijdelheid en het winstbejag. Al dit moest uitgebannen worden.

Ze ging de diepte in. God zelf, zo ervoer ze het, had haar tot kunstenaar gemaakt om te verwoorden en vorm te geven wat waard is in schoonheid vorm te krijgen.

God droeg haar op om onrust op te wekken opdat de mensen verlangen naar het stille verre land.

Ze dichtte het gedicht 'Najaarslaan'.

 

Najaarslaan

Waar gouden de portalen zijn

hoe zullen daar de zalen zijn!

Ik zag aan 't einde van mijn pad

een kleine ronde poort,

als blauw saffier in goud gevat,

en haastig, vol verlangen trad

ik door de gangen voort,

ik sprak: 'Als bij mijn aankomst wijd

die poorten openstaan,

in welk een groote heerlijkheid

zal ik dan binnengaan.

Indien van goud de gangen zijn,

hoe groot moet dan mijn verlangen zijn,

de zalen in te gaan!' 

 

Als dan mijn spel gespeeld en mijn taak vervuld dan zal ook ik erkennen, dat Gij mij geroepen had..

 

Jacqueline had in haar werk sterk het gevoel dat God haar tot dit werk geroepen had. Zij meende dat God door ons doen een doel bereiken kan en dat zowel door onze arbeid als ook door onze nederlaag. Wat moeten wij doen? Wij moeten volgens haar de taak verrichten die God ons geeft en dat met al onze krachten.

Wie echter alvorens tot een werk over gaat, eerst nog eens wil achterhalen de verborgen grond; waarom God en hoezo? die zal nooit tot een daad zelve komen. We moeten slechts Gods wil doen en dat met bezieling, vreugde en volharding. God vraagt van ons dat wij datgene doen wat wij kunnen doen op de plaats waar Hij ons gesteld heeft.

Dat mag misschien niet groots zijn, maar het is wel nodig. 

Wat was haar roeping? Misschien wel verwoorden die worsteling, die innerlijke Geestelijke strijd, die velen gaan als het leven hen plots ontnomen wordt, om te verwoorden die overgave van..'Leer mij volgen zonder vragen..' uit Lied 292.

 

Toen men bij haar kanker ontdekte, dichtte zij het gedicht 'Sinds ik het weet'.

 

Sinds ik het weet...

 

Sinds ik het weet-ik weet het wel, ofschoon

nog onder ons angstvallig wordt ontweken

het boze woord te noemen dat bij 't spreken

licht ruw en wat onzuiver klinkt van toon,-

 

Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,

de schoonheid en de zoetheid aller dingen

die mij alom omgeuren en omringen,

nog wel zo liefelijk en wel zo zoet.

 

Sinds ik het weet schijnt mij de atmosfeer

doorwasemd en doorgeurd van zoele togen,

het is of ieder zintuig en vermogen

nog fijner werd en scherper dan weleer.

 

Sinds ik het weet treed ik wie ik ontmoet,

de vreemden en de vrienden op mijn wegen

ontroerder en vertrouwelijker tegen

en 'k groet ze met een vriendelijke groet.

 

Sinds ik het weet is God mij meer nabij,

en vaak in dérnst van 't aardse spel verloren,

zo ernstig en zo diep als ooit tevoren,

gevoel ik plots Gods glimlach over mij.

 

Tentoonstelling

Gedurende de maanden juli en augustus is er in onze kerk een tentoonstelling.

De schilderijen zijn afkomstig van de heer Wilfried Vervisch, kunstschilder-dichter-autodidact.

Geboren te Ieper op 10 juli 1937, gehuwd op 12 juli 1958 met lina Tommeleyn. Ze hebben vier kinderen.

De heer Virvisch woont in Rumbeke waar hij ook zijn atelier heeft.

Acht  à negen werken zullen in de kerk tentoon gesteld worden.

 

In 2002, 2005 en 2008 kwamen zijn gedichtenbundels uit. De laatste bundel kreeg de titel mee 'Geest van leven in verzen verweven'.

 

 

Verdraagt elkanders moeilijkheden.

 

Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet is, dan vergist hij zich zeer. Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts stof tot roem hebben en niet voor een ander..

Dwaalt niet, God laat niet met zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.

Want wie op de akker zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op de akker van de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen.

Galaten 6: 2-9

 

 

In zaaien en oogsten, Hij houdt ons staande.

Als U deze verzen leest, komen misschien ook die beelden op van een boer die uitgaat om te zaaien en later uittrekt om te oogsten.

Maar Paulus’ beeld gaat dieper. Zijn woorden willen ons er op wijzen dat ook onze daden en woorden ergens zullen neerkomen. Ook wij zullen met onze woorden en daden zaaien en oogsten.  Paulus wijst ons er op: pas op, je zaait of in de akker van de Geest of in de akker van het vlees.

De akker van de Geest zal mooie vrucht geven, maar wie echter op zijn vlees zaait, die zal uiteindelijk oogsten wat hij/ zij gaf of niet gaf... in het meest negatieve spreekt Paulus over verderf oogsten.

Met die wetenschap in ons achterhoofd, kun je niet anders meer dan overdenken: alles wat ik doe en zeg, heeft dus een draagwijdte en beslist zelfs of ik een eeuwig leven of verderf oogst.

Ik weet niet wat U nu denkt, maar misschien denkt U nu: dominee dat had ik dan toch liever niet geweten.

Maar weet U, als U nu weet dat wanneer U zich toelegt op Geestelijke zaken, dan komt dat ten goede aan God, Uzelf en ook Uw naaste.  En dat niet alleen, dan zul je ook nog die rijke oogst binnen mogen halen die eeuwig leven noemt.

Het is waar, geestelijk zaaien is niet makkelijk, voor sommigen is het zelfs een geestelijke strijd om in zowel werk en familiekring staande te blijven. Maar het is ook geen uitzichtloze strijd.

Want wij weten: wij strijden met onze Here Jezus en voor Hem, Hij die al overwonnen heeft.

 

Gedicht:


Tien kleine christenen                                                

Tien kleine christenen
ontvingen saam de zegen;
één nam aanstoot aan de preek,
toen waren er nog maar negen.

Negen kleine christenen,
ze baden dag en nacht;
één kreeg niet wat hij vroeg,
toen waren er nog maar acht.

Acht kleine christenen,
op de smalle weg door 't leven,
één vond een and're weg zo mooi,
toen waren er nog maar zeven.

Zeven kleine christenen,
lazen elkaar de les,
één werd er boos en zei: ik ga!
toen waren er nog maar zes.

Zes kleine christenen,
aktief in het kerkbedrijf;
één miste het echte protestantse,
toen waren er nog maar vijf.

Vijf kleine christenen,
traditie in het banier,
één werd het allemaal teveel,
toen waren er nog maar vier.

Vier kleine christenen,
zongen "abide with me";
één meende niet wat hij zong,
toen waren er nog maar drie.

Drie kleine christenen,
ieder met zijn eigen idee;
één dacht alleen maar aan zichzelf,
toen waren er nog maar twee.

Twee kleine christenen,
met z'n tweeën heel alleen,
en met ruzie wie de grootste was,
toen was er nog maar één.

Eén heel gewone christen,
vol van de lieve vree;
zijn vijand werd zijn goede vriend,
toen waren er weer twee.

Twee heel oprechte christenen,
aan het werk met veel plezier;
ze vroegen niets maar deelden uit,
toen waren er weer vier.

Vier heel bescheiden christenen,
ze hielpen dag en nacht;
en die geholpen werden hielpen mee,
toen waren er weer acht.

Acht vriendelijke christenen,
ze vroegen om Gods zegen;
maar vroegen ook een mens erbij,
toen waren er weer negen.

Negen kleine christenen,
ze hadden in mensen God gezien;
en zongen zich samen de misère uit,
toen waren er weer tien.

Tien kleine christenen,
ze brachten Hem tot leven
die niet voor kerk maar voor de mens,
Zijn leven heeft gegeven.

Tien kleine christenen,
wanneer zij leven net als HIJ
dan komen er weer net als toen,
in één dag duizend bij.




 


 

 

Bijbelstudie

Op woensdagavond om 20uur is er weer een Bijbelstudieavond in de kerk.

Onderwerp van gesprek is: Wat is waarheid?

 

Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven...Johannes 14: 6

En Pilatus ze tot Hem: Wat is waarheid?  Johannes 18:38

 

Van harte welkom,

namens de kerkenraad,

dominee