04-02-09

CALVIJNSE MUZIEK

 

  logo_calvijn

 

1. Algemene principes

Onder Calvijnse muziek verstaat men in het algemeen de gecomponeerde muziek gebaseerd op psalmen of andere bijbelteksten, oorspronkelijk voor het gebruik in de protestantse gereformeerde kerk van Johannes Calvijn (1409 tot 1564). De instructies van Calvijn over het gebruik van bijbelse teksten, voor de gezongen muziek in zijn Geneefse kerk, verschillen van de Lutherse praktijk. Bij Luther waren de teksten van de koraal- of hymnezang ook bijbels van oorsprong, maar niet noodzakelijk omlijstingen van bijbelse teksten. Vijfentachtig psalmmelodieën. en liederen zijn afkomstig van Louis Bourgeois (ca. 1510 tot 1561), terwijl over de componist van de overige veertig psalmmelodieën nadere gegevens ontbreken.

De eerste psalmbundel van Johannes Calvijn verscheen in 1539 toen Calvijn predikant was in Straatsburg. De psalmbundel bevatte: 18 psalmen, Simeons lofzang, de tien geboden en het Credo (apostolische geloofsbelijdenis), allen met eigen melodieën. Deze melodieën zijn waarschijnlijk van Duitse origine, enkele vermoedelijk van Mattheus Greiter, een zanger aan het Straatburgse domkerk (kathedraal).

In 1541 werd Calvijn geestelijke aan de Geneefse St. Petrus-kerk. In 1542 verscheen zijn tweede psalmbundel; die buiten de psalmen. van de uitgave van 1539, ook psalmen van Clement Marot bevatte. Vijf psalmen en de lofzang van Simeon, die Calvijn in versvorm schreef voor de uitgave van 1539, verschenen ook in de psalmbundel van 1542. Bourgeois wijzigde drastisch de melodieën van de psalmbundel van 1539 en schreef bovendien 22 nieuwe melodieën voor de psalmbundel van 1542. Andere psalmbundels verschenen in 1543[1] en de daarop violgende jaren, en telkens was de nieuwe uitgave vollediger dan de voorgaande. De laatste psalmbundel, voor welke Bourgeois de muziek schreef, was deze van 1551. Die bevatte de volgende melodieën van 85 psalmen en liederen[2], de lofzang van Simeon en de tien geboden. De uitgave van 1554 bracht, hoewel ze de tekst van 6 andere psalmen bevatte, geen nieuwe melodieën. Bourgeois verliet Geneve in 1557 en had daarna kennelijk geen verder contact meer met Calvijn en de Geneefse psalmbundel. Toen de complete Geneefse psalmbundel verscheen, bevatte hij tot in 1562 geen aanvullingen. Deze laatste uitgave bracht nieuwe melodieën van de volgende 43 psalmen[3]. De componist van deze melodieën is onbekend, ze werden beurtelings toegeschreven aan Pierre Dubuisson, Guillaume Franc e.a. In het algemeen gezien, halen de nieuwe 40 psalmmelodieën muzikaal niet het hoge niveau van Bourgeois. In het geheel zijn de melodieën van de Geneefse psalmbundel, in tegenstelling tot de Lutherse (koraal)melodieën, nauw verwant aan de vloeiende stijl van de Romeinse koraalgezang. Daarom werden ze door latere componisten, die in de Romeinse traditie onderlegd waren, bevoorrecht (boven andere begunstigd) om meerstemmig te bewerken. De volledige Geneefse psalmbundel van 1562 bevatte 125 melodieën van Bourgeois, 40 van een onbekende componist en uiteindelijk de resterende psalmen met verwijzingen naar de melodieën van de andere 125 psalmen.

 

 

2. De meerstemmige composities uit de 16de eeuw.

 

Hoewel Calvijn voor kerkelijk gebruik slechts streng eenstemmig psalmgezang toestond, mochten in de huiselijke kring en andere gesloten bijeenkomsten de psalmen ook meerstemmig worden gezongen.

Louis Bourgeois publiceerde in Lyon in 1547 een vierstemmige versie van vijftig van zijn psalmmelodieën. In Parijs in 1561 verschenen zijn drieëntachtig psalmen, vier-, vijf- en zesstemmig. Claude Goudimel (ca.1505-1572) schreef ook meerstemmige psalmverklankingen, die na 1551 deels afzonderlijk, deels in bundel verschenen. Zijn vierstemmige versie van de volledige Geneefse psalter verscheen in Parijs in 1564. Ze genoten een grote populariteit. Ze werden herdrukt, in de meeste West-Europese talen vertaald, en nog in de 17de en 18de eeuw uitvoerig gebruikt.

Ook twee andere Franse componisten uit de 16de eeuw, zijn het waard te vermelden. Het waren volgelingen van Calvijn en zijn gereformeerde leer. Ze hebben aan de muzikale verklanking van de psalmen actief meegewerkt. Claude Le Jeune (ca.1523 tot ca. 1600) maakte gebruik van de Geneefse psalmmelodieën als cantus firmus[4] voor tien vierstemmige psalmen. Ze verschenen in 1564. Zijn vier- en vijfstemmige versie van het complete Geneefse Psalter verscheen in 1601, een driestemmige versie verscheen in reeksen tussen 1601 en 1610. Clement Jannequin (ca. 1485 tot ca. 1560), beroemd als componist van kleurrijke Franse chansons, publiceerde zijn vierstemmige stukken van tweeëntachtig melodieën uit de Geneefse psalmbundel in Parijs in 1559.

Hand in hand met de uitbreiding van het Calvinisme over Europa verspreidde zich het zingen van de calvinistische psalmmelodieën. In Duitsland had Ambrosius Lobwasser in 1573 de Geneefse psalmmelodieën vertaald, en in 1573 verscheen in Leipzig zijn nieuwe editie met zijn vertalingen van vierstemmige composities van Goudimel. Een Nederlandse versie van de psalmen van Goudimel verscheen in Delft in 1602 en in Amsterdam in 1620, terwijl Italiaanse vertalingen van Goudimels verklankingen nog in 1740 en 1762 in Italië verschenen.

 

 

3. De Nederlanden

 

Vele jaren, nog voor het voltooien van de Geneefse psalmbundel van Calvijn, werden in de Nederlanden de psalmen in de volkstaal gezongen. Reeds in 1540 werd de volledige psalmbundel door een Utrechts edelman, Zuylen van Nyevelt (ca. 1504 tot ca. 1543) in verzen geschreven en voorzien van bekende volksmelodieën. Deze volledige psalmbundel, de Souterliedekens, verscheen in 1540 bij Simon Cock in Antwerpen. Zoals de Geneefse psalmbundel van Calvijn bevatte het enkel en alleen melodieën, die voor streng eenstemmig zingen bestemd waren. De bundel was zeer geliefd. De oplagen (het totale afdrukken van het werk) werden tot het jaar 1613 geschat op 33. De Souterliedekens werden in de eredienst gezongen Zoals de Geneefse psalmbundel. Clemens non Papa arrangeerde de melodieën van de Souterliedekens 3 stemmig, en werden door Tielman Susato in Antwerpen in 1556/57 gepubliceerd. De 4 stemmige arrangementen verschenen bij Susato in 1561. Enkele Hollandse auteurs wijten de populariteit van de Souterliedekens aan het feit, dat de melodieën oorspronkelijk oud (noord/zuid) Nederlandse volksliederen waren. Tijdens de Spaanse inquisitie konden de protestantse Nederlanders, op geheime bijeenkomsten psalmen zingen op wereldlijke melodieën, zonder vrees ontdekt te worden door luistervinken. Toen in de Nederlanden de godsdienstvrijheid van kracht werd, waren de Nederlandse calvinisten niet meer te vinden om psalmen te zingen op wereldlijke melodieën. Ze beslisten unaniem voor de Geneefse psalmbundel.

In 1568 werd de Geneefse psalmbundel van Calvijn het officiële boek met lofzangen van de Noord-Nederlandse hervormde kerk. De eerste Nederlandse versie werd voorbereid door een Noord-Nederlandse vluchteling, Jan Utenhove. Zijn vertaling van 10 psalmen. werd gedrukt bij Steve Mydermen in Londen in 1551. In het zelfde jaar verschijnen in Londen nog 25 psalmen, geschreven door Uterhove en gepubliceerd door John Doye. In 1566 werd de definitieve en volledige psalmbundel van Utenhove uitgegeven, opnieuw door John Doye. Hoewel het werk van Utenhove op de Geneefse psalmbundel berustte, gebruikt hij niet altijd dezelfde melodieën bij dezelfde psalmen zoals in Geneve. In zijn uitgave van 1566 werd psalm 1 gezongen op de Geneefse melodie De tien geboden en de psalmen 66 en 95, die in de Geneefse psalmbundel geen eigen melodie hadden, op de  Lutherse koraalmelodie Ein feste Burg. De psalmbundel van Utenhove was bestemd voor de Nederlandse diaspora in Londen; het goedkeuren aldaar (van deze psalmbundel) betekende tegelijk het einde van de oude Souterliedekens.

De Nederlandse calvinistische kerken accepteerde de psalmbundel van Utenhove niet. Na scherpe kritiek op zijn vertaling en stijl werd op de synode van Wesel in 1568 de bewerking toevertrouwd.aan een andere Nederlandse theoloog, Peter Dathenus. Tijdens de volgende twee jaar was de psalmbundel van Dathenus in de nederlandse kerken doorlopend in gebruik, en de teksten werden wél gezongen op de melodieën van de Geneefse psalmbundel. In deze tijd verschenen vele nieuwe Nederlandse psalmvertalingen, die gebruik maakten van de Geneefse melodieën, en in 1773 werd door de Nederlandse hervormde kerk een nieuwe uitgave goedgekeurd, die uit de reeds bestaande psalmbundels telkens de beste vertaling van elke psalm uitkoos. Hoewel door de meeste kerken aangenomen, door andere afgewezen, wordt deze uitgave van de Dethenus-vesie vandaag nog gebruikt door enkele Hollandse provincie kerken en in Amerika. De psalmversie van 1773 bleef in Nederland officieel in gebruik tot 1949. In dit jaar keurde de synode van de gereformeerde kerken een totaal nieuwe vertaling van de tekst goed, die zich beter aanpaste aan het natuurlijke ritme en accent van de Geneefse psalmmelodie. Onder de deskundige leiding van H. Hasper, een Amsterdamse theoloog en muziekwetenschapper, werd het zingen van de calvinistische psalmmelodieën herbeleefd in de geest, waarin ze in de 16de eeuw oorspronkelijk werden gezongen.

Meerstemmige psalmverklankingen waren in de Nederlanden evenzeer populair.als in Frankrijk. De componisten Le Jeunes en Goudimel waren zeer bekend en werden gepubliceerd in Nederlandse vertaling. De grootste aller Nederlandse calvinistische componisten was Jan -Pieterszoon Sweelinck (1562-1621), beroemd als grondlegger van de zogenoemde "Norddeutsche Orgel-Schule". Als organist aan de Oude kerk in Amsterdam schreef hij, gebruikmakend van de Geneefse psalmmelodieën als cantus firmus, 4 en 8 stemmige verklankingen van de 150 psalmen. Van alle psalmcomposities van componisten uit de 16de en 17de eeuw zijn de zijne contrapuntisch[5] en harmonisch wel de prachtigste. De stukken van Sweelinck verschenen in series tussen 1604 en 1621, bovendien in verschillende uitgaven in Leiden, Amsterdam en Berlijn. Uit zijn vocale verklankingen van de psalmen ontwikkelde Sweelinck het koraalvoorspel, als een karakteristieke geëigende kunstvorm. Hij maakte opnieuw gebruik van de psalmmelodieën als cantus firmus. Als grondlegger van de Noord-Duitse orgelschool had Sweelinck grote invloed op de Duitse orgelmuziek van de 17de en 18de eeuw. De stijl van Bachs meesterlijke koraalvoorspelen hebben hun wortels in het oeuvre van Sweelinck. De instrumentale en vocale muziek, voor de liturgie, is gebaseerd op de calvinistische psalmmelodieën. Dit maakt de muziek van Sweelinck zo kunstvol. Zijn muziek heeft in de Nederlanden tot op de dag van vandaag standgehouden, en ondergaat een heropleving onder de leiding van gereformeerde componisten zoals Cor Kee en Jan Zwart.

 

Bron: Compendium bij de gezangen uit het liedboek voor de kerken.

 

Herwig-Theo M. M. Huyghebaert                     

Roeselare, zomer, 29 juni 2007.

 



[1] 1544, 1549, 1551, 1554 en 1562.

[2]De psalmen. 1-47, 50, 51, 72, 73, 79, 86, 90, 91 101 103, 104 107 110, 113 tot 115, 118-134 137, 138, 143.

[3]48, 49, 52, 54-61, 74, 75-80, 81, 83, 84, 85, 87-89, 92-94, 96, 97, 99, 102,105, 106, 112, 135, 136, 141, 145-150.

[4] Cantus firmus: een voorafbestaande melodie, die als basis wordt genomen voor een meerstemmige compositie.

[5] Contrapunt/contrapuntisch: De term contrapunt (Lat. punctum contra punctum: noot tegen noot) duidt in de muziek een meerstemmige schrijfwijze aan, waarin de nadruk valt op het zelfstandig melodisch verloop van de afzonderlijke, zich "horizontaal boven elkaar voortbewegende stemmen.

14:46 Gepost door Rony in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.